Profiel/Geschiedenis
Profiel /Geschiedenis

Profiel en visie op de toekomst:

Je geloof, je droom delen.
Het vuur ontsteken bij jezelf en anderen.

 

Het vuur ontsteken bij jezelf en anderen

 

Doel en opdracht visiegroep

 

De visiegroep is ingesteld als een soort denktank voor de kerkenraad. Aan de hand van de huidige beschikbare feiten en informatie kreeg de visiegroep de opdracht om een uiteenzetting te geven hoe de Hervormde gemeente Holten er over vijf tot tien jaar uit zal moeten zien en welke veranderingen er plaats zullen moeten vinden om dit te realiseren. Hieruit volgt de tweede opdracht die de visiegroep heeft gekregen. Dit is het geven van een profielschets van degene die de ontstane vacatureruimte door het vertrek van ds. Gijsen (2016) deels of geheel gaat invullen.

 

De Bijeenkomsten van de Visiegroep ( 2016) hebben geleid tot zogenaamde pijlers voor de toekomst.

 

pijlers voor de toekomst

 

Deze pijlers hebben tijdens het beroepingswerk in 2017 goede ondersteuning geboden. Ook zijn ze richtinggevend voor het beleid van de kerkenraad.

Geschiedenis

1. Kort historisch overzicht

Exacte gegevens over het ontstaan van de kerk (kapel) in Holten ontbreken. Bij de grote brand in 1829 zijn namelijk niet alleen de trouw- en doopboeken, maar ook de overlijdensregisters en de markeboeken verloren gegaan. Er is sprake van een kapel in Holten in het jaar 1348. In de parochielijsten van de Domkerk in Utrecht komt Holten voor het eerst voor in 1395. De verbinding met Utrecht leeft nog indirect voort in de veldnaam “De Schans”: een perceel weiland aan de Landuwerweg. In het midden van dit terrein is nog duidelijk een ringvormige verlaging te zien. Deze schans heeft deel uitgemaakt van het verdedigingsstelsel rond Deventer , waartoe ook de (ruïne) “De Waerdenborch” behoorde. De bisschop van Utrecht heeft zelfs tijdelijk in Deventer gewoond (Lange en Korte Bisschopstraat).

 

Het is niet na te gaan, wanneer genoemde kapel een kerk werd. We weten wel via oude rekeningen, dat in 1761 het dan bestaande kerkgebouw gerestaureerd en vergroot werd.

In 1994, tijdens de vernieuwing van het kerkinterieur -inclusief de vloer- zijn bij een kortdurende opgraving twee funderingen ontdekt. De kleinste van de kapel en de andere van de kerk, zoals die was vóór de brand van 1829(Zie Bijlage).

De Reformatie (1517 Maarten Luther in Wittenberg -Duitsland) bracht ook in Holten veel onrust, die nog versterkt werd door de verschrikkingen van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). De Holtense pastoor, Hermannus Bushof, werd protestant. Later is hij zelfs de eerste dominee van Holten geworden.

 

In 1593 verzoekt de Overijsselse Synode te Kampen de Ridderschap der Steden (vergelijkbaar met de huidige Provinciale Staten) de Rooms-Katholieke geestelijken uit hun ambt te zetten. Dit verzoek wordt pas geëffectueerd als prins Maurits Twente veroverd heeft en daardoor de Reformatie vaste grond onder de voeten gekregen heeft in het werkgebied van de Synode.

vervolg kort historisch overzicht

De predikanten werden aanvankelijk door de Drost van Salland benoemd; na 1660 gebeurde dit door de Marke (=het plaatselijk burgerlijke gezag). In 1726 ontstond onenigheid over het recht tot zo’n benoeming tussen de kerkenraad en de Marke. Tot 1798 bleef de Schout van Holten de benoemingsaanvraag ondertekenen. In de Franse tijd (1798 tot 1813) kwam de scheiding tussen kerk en staat tot stand, zodat vanaf die tijd de benoeming van de predikant een zaak van de kerk zelf is.

 

Het aantal inwoners van Holten is in de loop der tijden, net als overal elders, flink toegenomen: in 1775 waren er 1250 inwoners, in 1850 waren er 2500 en op 31 december 1999 waren het er 8841.

 

De opkomst van de industrie in West-Europa, globaal vanaf 1850, is niet helemaal aan Holten voorbijgegaan. Tussen 1835 en 1895 was er enige industriële activiteit, t.w. een weverij met een eigen weefschool en een jutefabriek.
In diezelfde tijd speelde nog een andere, ingrijpende verandering in de Holtense samenleving: de afscheidingsbeweging in de Hervormde kerk. Deze beweging werd geleid door ds.De Kock (Ulrum). Ook in Holten kreeg hij aanhangers en de Hervormde gemeente verloor daardoor een aantal leden.

 

Vanaf 1843 is deze afscheidingsbeweging wettelijk erkend. De Gereformeerden konden voortaan hun eigen kerken bouwen. Dit is in Holten ook gebeurd. In diezelfde tijd woonde hier een klein aantal Rooms-Katholieken, die tot de parochie Hellendoorn behoorden. Op dit moment gebruikt de RK-parochie het verenigingsgebouw “Irene” als kerkzaal. Er woonden ook enkele Joden in Holten; zij hadden hun synagoge in Deventer. Later heeft Holten een eigen synagoge gehad, die op de plek van het huidige gemeentehuis stond.

2. Het kerkgebouw

Het kerkgebouw, voor het eerst genoemd als kapel in 1348, heeft in de loop der tijden vanzelfsprekend heel wat veranderingen ondergaan.  Tot aan het midden van de 18e eeuw zijn hierover echter geen concrete gegevens voorhanden. Wel is bekend, dat in 1620 het eerste uurwerk geplaatst werd en dat het gebouw in 1723 een grote onderhoudsbeurt heeft gehad. Daarna kunnen we uit oude rekeningen en geschriften concluderen, dat de kerk in 1761 niet alleen gerenoveerd, maar ook vergroot werd.

 

Een verwoestende brand in 1829 heeft een groot deel van het dorp, waaronder het kerkgebouw, in de as gelegd. De welvaart was toen - na de Franse tijd - enorm teruggelopen, zodat het de grootste moeite kostte niet alleen de huizen, maar ook de kerk weer op te bouwen. Koning Willem I heeft toen de helpende hand geboden: de regering stelde ƒ 12.000,– beschikbaar voor de wederopbouw van de kerk.

 

Ook de provincie Overijssel schonk een bijdrage van ƒ 2.450,–. Met nog wat leningen, de verhuur van zitplaatsen en een bijdrage van de marke(ƒ 1.500,-) kon de bouwsom van ƒ 16.450,- bij elkaar worden gesprokkeld. In 1832 kon het gebouw in gebruik worden genomen. De klokken kwamen pas in 1840. De toren, sinds de Franse tijd eigendom van de burgerlijke gemeente, die tot dan toe een zadeldak had gehad, kreeg in 1870 een torenspits. In 1881 vond een restauratie van de gehele toren plaats.

Ruim dertig jaar later (1913) werd de kerk voorzien van een nieuw dak, een nieuw plafond en een grotere consistoriekamer. Bovendien kreeg het gehele interieur een oud-eiken kleur en kwamen er bijbelteksten langs de wanden. De totale kosten voor deze opknapbeurt bedroegen ƒ 2.075,

 

De restauratie van het interieur in 1956 stond in het teken van de stijl van de vijftiger jaren: sober en zakelijk, wars van franje en versiering. Dit is goed te zien op de foto van het orgel . De muren werden toen opnieuw gepleisterd, waardoor de bijbelteksten -helaas- verdwenen. Ook kwam toen het liturgisch centrum met daarop het doopvont en de avondmaalstafel. De preekstoel werd aan deze nieuwe stijl aangepast. Kosten ƒ 75.000,-.

 

In 1976 is een restauratie nodig, omdat de brandbeveiliging via de nooduitgangen niet meer aan de wettelijke eisen voldoet. Verder wordt het liturgisch centrum vergroot, zodat ook de opstelling van een koor mogelijk wordt. Op de plaats van de eerste banken komen 150 stoelen te staan. Vanwege vermolmde en verrotte balkeinden in de dakconstructie wordt in 1991 een dakreparatie uitgevoerd. En in 1993 wordt de toren nog eens onderhanden genomen: de ruimte, die tot na de Tweede Wereldoorlog als gevangenis dienst deed, is intact gebleven en kan eventueel bezichtigd worden.

 

De laatste, grote restauratie heeft plaatsgevonden in 1994. Hierbij is de houten vloer vervangen door een betonnen vloer. Wel is de ronde opstelling van de banken dezelfde gebleven. Evenals de oude zijn de nieuwe banken voorzien van een deurtje en ze zijn ook weer schuin oplopend geplaatst, zodat het oorspronkelijke karakter van de kerk niet is aangetast. Ook is toen een nieuwe verwarming aangelegd. Voordat de nieuwe vloer gestort werd, hebben amateur-archeologen de gelegenheid gehad een proefsleuf in de ondergrond te graven. Daarbij zijn de oudste fundamenten (van 1348) ontdekt. De totale verbouwingskosten bedroegen ruim vijf ton. In de Bijlage zijn verdere details over deze opgraving te zien en te lezen.

 

Predikantenlijst

 

klik op foto om de serie te bekijken

3. Het kerkzegel

Omstreeks het midden van de achttiende eeuw krijgt Holten een kerkzegel. Dit is voor het eerst in 1768 gebruikt. De verbondenheid met Utrecht is duidelijk zichtbaar. Het is een getrouwe kopie van het Utrechtse zegel met de ark van Noach en de duif. Bovendien is in de rand het wapen van de stad Utrecht gehandhaafd.

4. Het orgel

Historie van het Naber-orgel in de Hervormde Kerk van Holten

In 1814 krijgt de kerk van Holten een orgel. Het wordt geleverd door de orgelmaker Abraham Meere uit Utrecht. Het heeft negen registers, één manuaal, aangehangen pedaal en drie blaasbalgen. Op 1 januari 1815 wordt het ingewijd. Lang heeft de gemeente niet van de sierlijke klank van dit orgel kunnen genieten en er de psalmen en gezangen bij kunnen zingen uit de bundel “Evangelische Gezangen” van 1806.

 

Klik op foto

Op 16 juni 1829 wordt Holten door een ramp getroffen. In de woning van een zekere Hendrik Bosgers ontstaat een brand, die zich zo uitbreidt dat een groot deel van het dorp in de as wordt gelegd. De kerk met het orgel, 49 huizen en vijf schuren worden totaal verwoest. Slechts elf huizen in het eens zo welvarende dorp blijven gespaard. Veel inwoners worden hierdoor in diepe armoede gedompeld.

 

In 1832 wordt een nieuwe kerk gebouwd, tegen de bewaard gebleven oude toren. Die wordt dan gepleisterd en van neogotische details voorzien. Ruim twee decennia zal het nog duren voor een nieuw orgel kan worden gebouwd.

 

De opdracht om dat nieuwe orgel te maken gaat in 1854 naar de orgelmaker C.F.A. Naber uit Deventer. Carl Friedrich August Naber wordt in 1796 geboren in het Westfaalse stadje Tecklenburg. In 1861 sterft hij in Deventer. Het ambacht van orgelmaker leert hij van zijn stiefvader Georg Heinrich Quellhorst (1770-1838), die in Oldenzaal is gevestigd. Samenmaken ze in 1822 een nieuw orgel voor de Sint Nicolaaskerk in Elburg. Naber treedt daar op als meesterknecht en laterals compagnon van Quellhorst. Hij woont er ook een tijdlang en in 1824 wordt zijn oudste zoon Frederik Samuêl er geboren.

 

Na het gereedkomen van het Elburgse orgel vestigt Naber zich in 1825 in Deventer. Zijn eerste geheel zelfstandig gebouwde nieuwe orgel komt in 1827 tot stand in de kerk van Terwolde. Het grote orgel uit 1834 voor de kerk van Winterswijk is een eerste hoogtepunt in zijn oeuvre.

 

Het bedrijf van Naber neemt in de 1840-er jaren een hoge vlucht. In 1842 werkt hij maar liefst op vier plaatsen tegelijk: Lienden, Almen, Rumpt en in de Arnhemse Koepelkerk. Het werkterrein wordt naar het westen uitgebreid. In 1844 ontstaat Nabers grootste orgel, dat van de Sint Joriskerk in Amersfoort. In 1846 volgt een bijna even groot orgel voor de Grote Kerk van Apeldoorn, in 1890 bij een brand verloren gegaan. Ook in 1846 levert Naber een nieuw orgel voor de hervormde kerk vanParamaribo.

 

Na de grote orgels van Amersfoort en Apeldoorn volgen opdrachten voor o.a. Delden (1847), Terborg (1847), Makkum (1848), Wilp (1849), Sliedrecht (1852) en voor de lutherse kerk van Deventer (1853). Zijn laatste orgels bouwt Naber in 1855 voor de kerken van Silvolde en Holten.

 

Op 19 augustus 1855 wordt het Naber-orgel van Holten ingewijd. Het kerkelijktijdschrift “Boekzaal der geleerde wereld” doet er verslag van:

 

“Het was heden hier een ware vreugdedag voor de Gemeente. Toen in het jaar 1829 het grootste deel van het dorp eene prooi der vlammen werd, waren ook kerk en orgel niet gespaard gebleven; en was sedert dien tijd de breuke bijna geheeld, zoodat der kerk alleen nog toren (sic) en orgel bleven ontbreken, in het bezit van het laatste zag zij zich dezen dag hersteld. De aanzienlijke som van ruim f 3000 voor het orgel met toebehooren benodigd, is voor de eene helft bij inteekening door de Gemeente zelve bijeengebragt, terwijl de andere helft door de kerk werd genegotieerd. Vervaardigers van het werk zijn de HH. NABER van Deventer, die zich zoo goed van hunne taak hebben gekweten, ook volgens het oordeel van deskundigen, dat zij zich ook weder hierdoor alle aanbeveling hebben waardig gemaakt. Het nieuwe orgel werd ingewijd door onzen geachten Leeraar, Ds. J.G.P. Muller, ten aanhoore van eene groote schare volks, van hier en elders tot die plegtigheid opgekomen, naar aanleiding van de woorden die gelezen worden, Job. XXI : 12b. Zij verblijde zich op het geluid des orgels. Het zoude bij deze gelegenheid door den heer I.K. de Vries, organist van de St. Janskerk te Arnhem bespeeld zijn geworden, doch deze werd onverwacht door eene treurige omstandigheid in zijn huisgezin verhinderd, waarop de Heer Gl. Rink, Predikant te Bathmen, werd uitgenoodigd, deze taak op zich te nemen, die er met welwillendheid tot aller genoegen aan voldeed. Des middags was er een orgelconcert, ten voordeele der armen, dat insgelijks eenen aangenamen indruk achterliet.”

 

Nabers nieuwe orgel heeft twee manualen met in totaal veertien registers. Het hoofdmanuaal bevat tien stemmen, het tweede manuaal heeft er vier. Het pedaal bevat geen eigen registers, maar is aangehangen aan het hoofdmanuaal. Drie blaasbalgen, achter het orgel in de toren geplaatst, voorzien het instrument van voldoende wind om de pijpen aan te spreken. De eindkeuring van het orgel wordt verricht door H. Honhof uit Eibergen, zelf ook als orgelmaker actief. Honhof prijst de kwaliteit van Nabers werk, maar is kritisch over de taaie speelaard van de klavieren.

 

Vermoedelijk nog in het laatste kwart van de 19de eeuw wordt de orgelkast opnieuw geschilderd in een donkergroene kleur, die het tot het midden van de 20ste eeuw zal houden.

 

In het begin van de twintigste eeuw moet de dispositie gewijzigd zijn en aangepast aan de dan heersende smaak. Wanneer en door wie dat is gedaan is niet bekend. Misschien is dat door de firma Leichel uit het naburige Lochem gedaan, maar zeker is dat niet. Er worden nieuwe zinken frontpijpen geplaatst, de Quint 3’ maakt plaats voor een Gamba 8’, het pijpwerk van de Octaaf 4’ en de Trompet 8’ wordt vernieuwd. Op het tweede manuaal verdwijnt de Woudfluit 2’ ten gunste van een Salicionaal 8’. Zo rond 1920 wordt een elektrische windmotor geplaatst. Van de drie spaanbalgen blijft er een functioneren. De andere twee worden afgekoppeld.

 

Na 1950 ontstaan er plannen om het orgel te restaureren. Onder advies van T. Telman uit Enschede worden deze plannen in 1956-1959 gerealiseerd door de firma J.C. Sanders & Zoon te Utrecht. De zinken frontpijpen worden door nieuwe tinnen exemplaren vervangen. De dispositie wordt opnieuw gewijzigd: de niet oorspronkelijke registers Viola di Gamba 8’ en Trompet 8’ (beide van zink) worden vervangen door respectievelijk een Quint 3’ en een Scherp 3 sterk (een hoge mixtuur). De Salicionaal van het tweede manuaal wordt vervangen door een nieuwe Woudfluit 2. Door middel van een kantsleep wordt datzelfde manuaal uitgebreid met een Sesquialter 2 sterk. In dezelfde tijd wordt de orgelkas ontdaan van de bekroning, de vleugelstukken en de consoles onder te torens. Niet alleen wat de klank betreft maar ook wat het uiterlijk aangaat hield men van strak en zakelijk.

 

De praktijk van de kerkmuziek is dan niet meer hetzelfde als in 1855. De psalmen worden intussen ritmisch gezongen, in 1938 is bovendien een nieuw gezangboek in gebruik genomen. Dat zal de wens om het orgel van een “vrij pedaal”, dat wil zeggen een pedaal met eigen registers, hebben aangewakkerd. In 1961 krijgt daarom de firma K.B. Blank & Zoon uit Utrecht de opdracht om het orgel uit te breiden met drie pedaalregisters. De 90 pijpen ervan worden geplaatst in een nieuwe kast achter de oorspronkelijke. Op de windlade van het pedaal is bovendien plaats voor een vierde register, als daar later het geld voor is.

 

Klachten over allerlei mankementen aan het orgel leiden er toe dat in 1987 een nieuwe restauratie volgt. De orgelmaker J.C. Patijn uit Wapenveld voert deze uit. Hij vervangt de Scherp 3 sterk (1959) door een nieuwe Trompet 8’, gemaakt naar voorbeeld van het Naber-orgel in Warnsveld. Op de open plaats van het pedaal komt een nieuwe Fagot 16’. Vrijwilligers uit de gemeente, R. Wolterink en A. Koopman, maken nieuwe bekroningen, vleugelstukken en consoles. De vormen daarvan zijn ontleend aan het orgel van Gorssel, dat in 1861 door Nabers zoon is vervaardigd.

 

De laatste jaren wordt duidelijk dat het orgel opnieuw aan groot onderhoud toe is. De klank, de mechaniek, de windvoorziening, het hier en daar beschadigde pijpwerk en de toestand van de orgelkast vragen nadrukkelijk om grondige verbetering. Zo wint de gedachte steeds meer terrein om het orgel nu eens volledig te laten restaureren. Die restauratie is sinds maart 2018 uitgevoerd door Orgelmakerij Reil te Heerde, onder advies van Bert Wisgerhof (Veenendaal).

 

Het pijpwerk is zorgvuldig schoongemaakt en hersteld. Nieuwe pijpen werden gemaakt voor de Octaaf 4’ (HW). De Sesquialter van het Bovenwerk is vervangen door een Dulciaan 8’, gemaakt naar voorbeeld van het gelijknamige register in het orgel van de Sint Joriskerk te Amersfoort. Veel aandacht is besteed aan de verbetering van de klank van de Fagot 16’ van het pedaal.

 

De mechanieken werden grondig nagezien en opnieuw afgesteld. Dat heeft tot een enorme verbetering van de speelaard geleid. De klavieren zijn schoongemaakt, de registeropschriften vernieuwd naar voorbeeld van Nabers opschriften in de kerk van Voorst. Ook is een nieuwe, bijpassende orgelbank vervaardigd. De drie spaanbalgen zijn gerestaureerd en weer op de windladen aangesloten. Er is een nieuwe elektrische windmotor geplaatst. De winddruk is verlaagd tot 72 mm. WK.

 

Klik op foto

 

Het orgel kon niet eerder worden teruggeplaatst dan nadat bouwbedrijf Pinkert de galerij had gestabiliseerd en waterpas gesteld. Ook de orgelkast is geheel hersteld, scheuren in panelen weggewerkt, deuren recht opgehangen en goed afsluitbaar gemaakt. De orgelkast werd geschilderd en de ornamentiek verguld door de gespecialiseerde restauratieschilders Wolters en Ovink uit Deventer.
College van Kerkrentmeesters, wil namens de Ned. Hervormde Gemeente Holten, een ieder die in welke vorm dan ook een bijdrage heeft geleverd aan de restauratie van het Naber orgel heel hartelijk bedanken.

 

Overzicht orgel

5. Bijlage over opgraving

Bij de opgraving in september 1994 (gedurende één weekend) zijn de resten van de kapel van 1348 gevonden, bestaande uit een gedeeltelijke rij zwerfkeien met op de hoeken een grotere steen. Daarop hebben vermoedelijk houten gebinten gestaan. Uitgaande van het gevonden vloerfragment mag aangenomen worden, dat de binnenwerkse afmetingen 7.40 bij 5.40m. bedragen hebben.

 

Ook werden er rijen graven gevonden, die dwars onder de huidige kerk lagen, maar er kwamen ook nog graven voor onder de veldkeien-fundering; de oudste ervan waren bij de bouw van de kapel waarschijnlijk al ouder dan 150 jaar. Het ligt dan ook wel voor de hand, dat de kapel op een oude begraafplaats werd gebouwd. Na voltooiing van de bouw kwam het daarna aangelegde kerkhof - traditiegetrouw- om de kapel te liggen.

 

Uit oude rekeningen is gebleken, dat de kapel/kerk in 1761 niet alleen gerestaureerd, maar ook vergroot werd. Van deze uitleg is bij de opgraving echter niets gevonden. Het blijft natuurlijk mogelijk, dat op de plek van de uitbouw niet gegraven is. Wel is de fundering gevonden van de kerk, zoals die erbij stond vóór de brand van 1829.
Aan de hand van de gevonden vloer, bestaande uit kloostermoppen (=groot soort baksteen uit de Middeleeuwen van het formaat 30x14x7 cm.) bleek, dat deze kerk binnenwerks 13.90 bij 10.60 m. Is geweest. Dat is veel korter en smaller dan de huidige kerk, die binnenwerks 24 bij 14.50 m. groot is. De oostmuur met de huidige hoofdingang heeft afgeschuinde hoeken.

 

Ooit was de hoofdingang onder de toren. Bij de verbouwing was nog te zien, dat de vloer van de kerk lager heeft gelegen dan de vloer van de toren. Achter de kerk werd nog een verhard pad van 1.50 m breed gevonden; hoogstwaarschijnlijk is dit de verbinding tussen de kerk en het kerkhof geweest.

 

Bij de opbouw van de kerk na de brand van 1829 zijn heel gebleven kloostermoppen gebruikt om de steunvoeten (“poeren”) te vormen voor de schuin oplopende balken, waarop de houten vloer was gelegd. Omdat deze stenen niet gemetseld, maar opgestapeld waren, zijn ze op de lange duur wat gaan schuiven, waardoor de vloer ging verzakken. De erlangs lopende leidingdraden van de elektrische verwarming kwamen hierdoor strakgespannen te staan.
Door de restauratie van 1994 is aan deze gevaarlijke toestand een eind gekomen. Op de balustrades evenals op de deurtjes van de banken is mooi bijpassend lijstwerk aangebracht. Het gehele interieur kreeg een zachtgroene kleur, waardoor in de kerkruimte de elementen rust en bezinning weer volledig tot hun recht kunnen komen.
Geef voor je kerk