Download het Adoptieformulier of vul het hierin.
Profiel/Geschiedenis
Profiel /Geschiedenis

Profiel

Het dorp Holten ligt in het zuidwestelijk deel van de provincie Overijssel op circa 20 km vanaf Deventer. De afstand naar Almelo is ongeveer even groot. Naast het dorp Holten waarin de meeste inwoners wonen zijn er nog de kleine kern Dijkerhoek en de buurtschappen Beuseberg, de Borkeld, Dijkerhoek, Espelo, Holterberg, Holterbroek, Lichtenberg, Look en Neerdorp. De gemeenschap Holten maakt deel uit van de gemeente Rijssen-Holten en behoort ongetwijfeld tot de mooiste gebieden van Overijssel.

 

De oppervlakte van de gemeenschap Holten – 6598 ha – bestaat voor het grootste deel uit agrarisch gebied. In het noorden van de gemeenschap Holten reikt de Holterberg tot in de gemeente Hellendoorn. De Holterberg maakt deel uit van de Sallandse Heuvelrug. Met de bossen en heidevelden van de Holterberg heeft de gemeenschap prachtig natuurschoon binnen haar grenzen. Het gebied van de Holterberg maakt deel uit van een Nationaal Park. Tezamen met het typische boerenlandschap kan een ieder, maar in het bijzonder de vele toeristen, daarvan genieten.

 

Over het grondgebied van Holten loopt de rijksweg A1 (ca. 4 km vanaf het dorp Holten, oost/west verbinding) en de provinciale weg N332 (noord/zuid verbinding), terwijl Holten voorts is gelegen aan de NS spoorlijn Deventer-Hengelo-Enschede. Holten heeft een NS - station met halfuursverbinding in westelijke en oostelijke richting. Er zijn dus uitstekende weg - en railverbindingen met de rest van Nederland.

 

Op het gebied van onderwijs, sport, recreatie en toerisme heeft Holten goede voorzieningen. Er zijn drie openbare basisscholen en er is één christelijke basisschool. Met de aanwezigheid van een scholengemeenschap voor vb/mavo/havo en vwo vervult Holten op onderwijsgebied een regionale functie. Vrijwel elke sport kan bedreven worden. Het fraaie natuurschoon oefent een grote aantrekkingskracht uit op de toerist en recreant. Er zijn vele uitstekende verblijfsaccommodaties in hotels, recreatieparken, bungalows en op campings.

 

Van oudsher verdient de bevolking een boterham in de landbouw en veeteelt. Maar met de opkomst van grotere bedrijven in de vlees - en metaalverwerkende industrie en van transport - worden de industrie en de dienstverlenende sector steeds grotere werkgevers. Daarnaast nemen het uitgebreide winkelbestand, de horeca en de diverse recreatieondernemingen een aanzienlijk deel van de werkgelegenheid voor hun rekening. Voor actuele informatie over de kern Holten kunt u terecht op Heerlijk Holten

Geschiedenis

1. Kort historisch overzicht

Exacte gegevens over het ontstaan van de kerk (kapel) in Holten ontbreken. Bij de grote brand in 1829 zijn namelijk niet alleen de trouw- en doopboeken, maar ook de overlijdensregisters en de markeboeken verloren gegaan. Er is sprake van een kapel in Holten in het jaar 1348. In de parochielijsten van de Domkerk in Utrecht komt Holten voor het eerst voor in 1395. De verbinding met Utrecht leeft nog indirect voort in de veldnaam “De Schans”: een perceel weiland aan de Landuwerweg. In het midden van dit terrein is nog duidelijk een ringvormige verlaging te zien. Deze schans heeft deel uitgemaakt van het verdedigingsstelsel rond Deventer , waartoe ook de (ruïne) “De Waerdenborch” behoorde. De bisschop van Utrecht heeft zelfs tijdelijk in Deventer gewoond (Lange en Korte Bisschopstraat).

 

Het is niet na te gaan, wanneer genoemde kapel een kerk werd. We weten wel via oude rekeningen, dat in 1761 het dan bestaande kerkgebouw gerestaureerd en vergroot werd.

In 1994, tijdens de vernieuwing van het kerkinterieur -inclusief de vloer- zijn bij een kortdurende opgraving twee funderingen ontdekt. De kleinste van de kapel en de andere van de kerk, zoals die was vóór de brand van 1829(Zie Bijlage).

De Reformatie (1517 Maarten Luther in Wittenberg -Duitsland) bracht ook in Holten veel onrust, die nog versterkt werd door de verschrikkingen van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). De Holtense pastoor, Hermannus Bushof, werd protestant. Later is hij zelfs de eerste dominee van Holten geworden.

 

In 1593 verzoekt de Overijsselse Synode te Kampen de Ridderschap der Steden (vergelijkbaar met de huidige Provinciale Staten) de Rooms-Katholieke geestelijken uit hun ambt te zetten. Dit verzoek wordt pas geëffectueerd als prins Maurits Twente veroverd heeft en daardoor de Reformatie vaste grond onder de voeten gekregen heeft in het werkgebied van de Synode.

vervolg kort historisch overzicht

De predikanten werden aanvankelijk door de Drost van Salland benoemd; na 1660 gebeurde dit door de Marke (=het plaatselijk burgerlijke gezag). In 1726 ontstond onenigheid over het recht tot zo’n benoeming tussen de kerkenraad en de Marke. Tot 1798 bleef de Schout van Holten de benoemingsaanvraag ondertekenen. In de Franse tijd (1798 tot 1813) kwam de scheiding tussen kerk en staat tot stand, zodat vanaf die tijd de benoeming van de predikant een zaak van de kerk zelf is.

 

Het aantal inwoners van Holten is in de loop der tijden, net als overal elders, flink toegenomen: in 1775 waren er 1250 inwoners, in 1850 waren er 2500 en op 31 december 1999 waren het er 8841.

 

De opkomst van de industrie in West-Europa, globaal vanaf 1850, is niet helemaal aan Holten voorbijgegaan. Tussen 1835 en 1895 was er enige industriële activiteit, t.w. een weverij met een eigen weefschool en een jutefabriek.
In diezelfde tijd speelde nog een andere, ingrijpende verandering in de Holtense samenleving: de afscheidingsbeweging in de Hervormde kerk. Deze beweging werd geleid door ds.De Kock (Ulrum). Ook in Holten kreeg hij aanhangers en de Hervormde gemeente verloor daardoor een aantal leden.

 

Vanaf 1843 is deze afscheidingsbeweging wettelijk erkend. De Gereformeerden konden voortaan hun eigen kerken bouwen. Dit is in Holten ook gebeurd. In diezelfde tijd woonde hier een klein aantal Rooms-Katholieken, die tot de parochie Hellendoorn behoorden. Op dit moment gebruikt de RK-parochie het verenigingsgebouw “Irene” als kerkzaal. Er woonden ook enkele Joden in Holten; zij hadden hun synagoge in Deventer. Later heeft Holten een eigen synagoge gehad, die op de plek van het huidige gemeentehuis stond.

2. Het kerkgebouw

Het kerkgebouw, voor het eerst genoemd als kapel in 1348, heeft in de loop der tijden vanzelfsprekend heel wat veranderingen ondergaan.  Tot aan het midden van de 18e eeuw zijn hierover echter geen concrete gegevens voorhanden. Wel is bekend, dat in 1620 het eerste uurwerk geplaatst werd en dat het gebouw in 1723 een grote onderhoudsbeurt heeft gehad. Daarna kunnen we uit oude rekeningen en geschriften concluderen, dat de kerk in 1761 niet alleen gerenoveerd, maar ook vergroot werd.

 

Een verwoestende brand in 1829 heeft een groot deel van het dorp, waaronder het kerkgebouw, in de as gelegd. De welvaart was toen - na de Franse tijd - enorm teruggelopen, zodat het de grootste moeite kostte niet alleen de huizen, maar ook de kerk weer op te bouwen. Koning Willem I heeft toen de helpende hand geboden: de regering stelde ƒ 12.000,– beschikbaar voor de wederopbouw van de kerk.

 

Ook de provincie Overijssel schonk een bijdrage van ƒ 2.450,–. Met nog wat leningen, de verhuur van zitplaatsen en een bijdrage van de marke(ƒ 1.500,-) kon de bouwsom van ƒ 16.450,- bij elkaar worden gesprokkeld. In 1832 kon het gebouw in gebruik worden genomen. De klokken kwamen pas in 1840. De toren, sinds de Franse tijd eigendom van de burgerlijke gemeente, die tot dan toe een zadeldak had gehad, kreeg in 1870 een torenspits. In 1881 vond een restauratie van de gehele toren plaats.

Ruim dertig jaar later (1913) werd de kerk voorzien van een nieuw dak, een nieuw plafond en een grotere consistoriekamer. Bovendien kreeg het gehele interieur een oud-eiken kleur en kwamen er bijbelteksten langs de wanden. De totale kosten voor deze opknapbeurt bedroegen ƒ 2.075,

 

De restauratie van het interieur in 1956 stond in het teken van de stijl van de vijftiger jaren: sober en zakelijk, wars van franje en versiering. Dit is goed te zien op de foto van het orgel . De muren werden toen opnieuw gepleisterd, waardoor de bijbelteksten -helaas- verdwenen. Ook kwam toen het liturgisch centrum met daarop het doopvont en de avondmaalstafel. De preekstoel werd aan deze nieuwe stijl aangepast. Kosten ƒ 75.000,-.

 

In 1976 is een restauratie nodig, omdat de brandbeveiliging via de nooduitgangen niet meer aan de wettelijke eisen voldoet. Verder wordt het liturgisch centrum vergroot, zodat ook de opstelling van een koor mogelijk wordt. Op de plaats van de eerste banken komen 150 stoelen te staan. Vanwege vermolmde en verrotte balkeinden in de dakconstructie wordt in 1991 een dakreparatie uitgevoerd. En in 1993 wordt de toren nog eens onderhanden genomen: de ruimte, die tot na de Tweede Wereldoorlog als gevangenis dienst deed, is intact gebleven en kan eventueel bezichtigd worden.

 

De laatste, grote restauratie heeft plaatsgevonden in 1994. Hierbij is de houten vloer vervangen door een betonnen vloer. Wel is de ronde opstelling van de banken dezelfde gebleven. Evenals de oude zijn de nieuwe banken voorzien van een deurtje en ze zijn ook weer schuin oplopend geplaatst, zodat het oorspronkelijke karakter van de kerk niet is aangetast. Ook is toen een nieuwe verwarming aangelegd. Voordat de nieuwe vloer gestort werd, hebben amateur-archeologen de gelegenheid gehad een proefsleuf in de ondergrond te graven. Daarbij zijn de oudste fundamenten (van 1348) ontdekt. De totale verbouwingskosten bedroegen ruim vijf ton. In de Bijlage zijn verdere details over deze opgraving te zien en te lezen.

 

Predikantenlijst

 

klik op foto om de serie te bekijken

3. Het kerkzegel

Omstreeks het midden van de achttiende eeuw krijgt Holten een kerkzegel. Dit is voor het eerst in 1768 gebruikt. De verbondenheid met Utrecht is duidelijk zichtbaar. Het is een getrouwe kopie van het Utrechtse zegel met de ark van Noach en de duif. Bovendien is in de rand het wapen van de stad Utrecht gehandhaafd.

4. Het orgel

Historie van het Naber-orgel in de Hervormde Kerk van Holten

19 augustus 1855 was voor de N.H kerk van Holten een feeste­lijke dag, want toen werd het nieuwe orgel van C.F.A. Naber in gebruik genomen.
Jarenlang hadden de kerkgangers het zonder begeleidingsinstrument moeten stellen. Het in 1815 gebouwde orgel van Meere was met de dorpsbrand van 1829 geheel verloren gegaan.
In die tussenperiode was men voor de gemeentezang aangewezen op een voorzanger.
Orgelbouwer Naber woonde in Deventer. Hij heeft veel instrumenten in het oosten van ons land gebouwd. Zijn grootste werk staat in de St. Joriskerk te Amersfoort.

 

 

Het orgel in Holten werd gebouwd als orgel met 2 klavieren en aangehangen pedaal (voetklavier).
Dit laatste houdt in, dat het pedaal geen eigen klank voortbrengt. Bij het indrukken van een pedaaltoets met een voet wordt direct een toets van het handklavier ingedrukt.
In totaal plaatste Naber 14 stemmen. (organisten spreken over een stem als ze het hebben over een bepaalde soort pijp)
De oorspronkelijke verdeling van de 14 stemmen was als volgt:

 

Hoofdwerk:
Prestant 8', Octaaf 4', Octaaf 2', Holpijp 8', Fluit 4', Quint 3',
Mixtuur 3-6 sterk, Bourdon 16', Cornet 3 sterk (discant),
Trompet 8' (gehalveerd)
Bovenwerk:
Octaaf 4', Holpijp 8', Fluit 4', Woudfluit 2'
Koppeling:
Bovenwerk aan hoofdwerk (gehalveerd)

Het gehele pijpwerk stond binnen de orgelkas. (in vaktaal spreekt men van de kas van een orgel i.p.v. kast). De orgelkas heeft functionele betekenis. Deze biedt bescherming aan het pijpwerk, maar daarnaast ontstaat er de noodzakelijke versmelting van de klank.
De windtoevoer kwam uit de toren. De balgen werden door mankracht aangedreven door z.g. orgeltrappers. Twee mensen moesten daarvoor door een luikje de toren in.
In 1928 werd een elektromotor geplaatst. Hiermee wordt een windmachine aangedreven die lucht in de balgen pompt. In noodgeval kan het oude systeem nog worden gebruikt.
In de loop der tijd is er bij diverse reparaties helaas veel origineel pijpwerk uit het orgel verdwenen. Naargelang de smaak der tijd werd er toegevoegd en gewijzigd.
Wanneer dat is gebeurd, is niet meer na te gaan. Gegevens over de periode vóór 1940 zijn er nauwelijks.
Zo verdwenen op een zeker moment uit het front van het orgel de originele tinnen pijpen. Ze werden vervangen door kwalitatief slechtere, zinken pijpen.
Bij een van die herstelwerkzaamheden maakte de Quint 3' op het hoofdwerk plaats voor een Viola da Gamba 8' en verdween op het bovenwerk de Woudfluit 2' ten gunste van een Salicionaal 8'.
De klank van dit nieuwe pijpwerk is minder scherp en meer strijkend van aard.
Daarnaast verscheen er een tremulant op het orgel.
Door dit apparaat in de windtoevoer kreeg de muziek een wat bevend en roman­tisch karakter.

In 1959 startte de fa Sanders een grondige restauratie.
De zinken frontpijpen werden weer vervangen door tinnen pijpen.

De Viola da Gamba 8' van het hoofdwerk maakte plaats voor een Quint 3', het register dat Naber hier oorspronkelijk had staan.
De Trompet 8' werd vervangen door een Scherp III.
Op het bovenwerk werd de Salicionaal 8' verwijderd en kwam de Woudfluit 2' weer op zijn oude plek terug.
Hiermee kwam het concept van Naber enigszins terug.
Daarnaast werd een Sesquialter op een z.g. kantsleep toegevoegd.
De tremulant werd afgekoppeld.
Met al deze veranderingen werd bereikt dat het klankbeeld meer beantwoordde aan de smaak van de jaren 1950 - 1960.Men was toen erg gesteld op een heldere en scherpe klank.
Zachte en zoete orgelmuziek was uit de gratie.
Kort daarna werd de wens vervuld om het orgel uit te breiden met een zelfstandig pedaal.
De fa Blank realiseerde dit in 1961. Blank was eerder meesterknecht geweest bij Sanders.
Er kwamen 3 registers op de pedaallade: Subbas 16', Octaafbas 8' en Koraalbas 4'.  Er bleef nog ruimte over voor een toekomstige stem. Hiervoor had men een Fagot 16' in gedachten.

Het nieuwe pijpwerk paste echter niet in de bestaande orgelkas. Daarom kwam er een vrije pedaallade achter het orgel tegen de torenmuur. Als u opzij van het front staat, kunt u dit open pijp­werk zien.
Er kwam een pedaalkoppel aan het hoofdwerk en aan het bovenwerk.
Tijdens een herinrichting van het kerkinterieur werd helaas het originele houtsnijwerk naast, onder en boven de kas verwijderd. Het paste in het tijdbeeld van verzakelijking en versobering. 
In 1987 was het orgel toe aan een nieuwe restauratiebeurt. Restaurateur was J.C.Patijn uit Wapenveld.
Er werd gewerkt zonder adviseur.
Het doel was: reparatiewerk verrichten, het pedaal uitbreiden en de klank weer dichter bij het oorspronkelijke concept van Naber brengen.
Lekkage bij de windtoevoer werd verholpen, het hele mechani­sche systeem werd gerepareerd en kapot pijpwerk werd onder handen genomen. Ook gemeenteleden hebben hieraan meegeholpen.

 

Van de 1214 metalen pijpen werden er 690 gerepareerd.
Van de 108 houten pijpen moesten er 78 worden hersteld.
Op het hoofdwerk werd de Scherp verwijderd en een Trompet 8' kwam weer op zijn originele plaats terug.
Op het pedaal werd conform het plan uit 1958 een Fagot 16' als 4e stem toegevoegd.
Het houtsnijwerk naast en boven de kas keerde terug, evenals de consoles aan de onderkant van de frontpijpen.

 

Bovenop het orgel kwam weer een lier te staan. De houten afbeelding van dit snaarinstrument werd ge­maakt door Anton Koopman, die als organist bijna 50 jaar aan de kerk verbonden is geweest.
De kas werd vervolgens in de originele lichte kleur teruggebracht. Op deze wijze kreeg het orgel zijn oude luister terug. De totale restauratiekosten bedroegen f 82.500,-
Er werd geen aanvraag ingediend bij de Rijksdienst voor Monumentenzorg om het orgel op de monumentenlijst te plaatsen. Het vermoeden bestond dat dan het zelfstandige pedaal uit 1961 zou moeten verdwijnen.

 

In 1994 werd het interieur van de kerk onder handen genomen.
Er kwam een verwarmingssysteem dat voor het orgel slechte neveneffecten had. Er werd te heet gestookt en de kerk werd te snel op temperatuur gebracht. Het gevolg was uitdroging van het orgel.

Toen er vervolgens nog enkele strenge winters volgden, bleek een reparatiebeurt in 1999 noodzakelijk.
Deze werd weer uitgevoerd door J.C. Patijn. Hij repareerde o.a. de pedaallade, de Bourdon 16' en de Subbas 16’.
Ook werd met behulp van een andere deskundige het instrument geherintoneerd, waarbij is geprobeerd het klankbeeld van Naber weer zo veel mogelijk terug te brengen.
Daarnaast heeft men de stookproblemen verholpen. Een computersysteem heeft het handmatig verwarmen overgenomen. Een probleem blijft echter de bevochti­ging in droge periodes.

 

Uit het bovenstaande mag blijken dat ons Naber-orgel zoals we het nu kennen, in de loop der jaren heel wat veranderingen heeft ondergaan.
Duidelijk is ook dat restaurateurs in het verleden niet altijd zorgvuldig met het instrument zijn omgesprongen.
Veel origineel pijpwerk is verdwenen of werd vervangen door ander materiaal. Dit beeld treffen we op veel plaatsen in Nederland aan.
Tegenwoordig letten we bij restauraties veel meer op het conserveren van een gegeven historische situatie. Aanpassing aan de heersende mode leidt vaak tot niet meer te herstellen verlies.

 

 

Gelukkig kunnen we in Holten nog spreken van een redelijk authentiek Naber-orgel.
Het is een uitstekend instrument om de gemeentezang te begeleiden. Het klankbeeld is enerzijds vrij stevig, maar anderzijds ook mild en warm, zonder dat er sprake is van zoete romantiek.
De organist kan er alle muziek op spelen.
Voor concerten is het zeer zeker geschikt, al komen veel composities uit de 19e eeuw er beter tot hun recht dan bijv. fuga's uit de 18e eeuw.
    Overzicht orgel

5. Bijlage over opgraving

Bij de opgraving in september 1994 (gedurende één weekend) zijn de resten van de kapel van 1348 gevonden, bestaande uit een gedeeltelijke rij zwerfkeien met op de hoeken een grotere steen. Daarop hebben vermoedelijk houten gebinten gestaan. Uitgaande van het gevonden vloerfragment mag aangenomen worden, dat de binnenwerkse afmetingen 7.40 bij 5.40m. bedragen hebben.

 

Ook werden er rijen graven gevonden, die dwars onder de huidige kerk lagen, maar er kwamen ook nog graven voor onder de veldkeien-fundering; de oudste ervan waren bij de bouw van de kapel waarschijnlijk al ouder dan 150 jaar. Het ligt dan ook wel voor de hand, dat de kapel op een oude begraafplaats werd gebouwd. Na voltooiing van de bouw kwam het daarna aangelegde kerkhof - traditiegetrouw- om de kapel te liggen.

 

Uit oude rekeningen is gebleken, dat de kapel/kerk in 1761 niet alleen gerestaureerd, maar ook vergroot werd. Van deze uitleg is bij de opgraving echter niets gevonden. Het blijft natuurlijk mogelijk, dat op de plek van de uitbouw niet gegraven is. Wel is de fundering gevonden van de kerk, zoals die erbij stond vóór de brand van 1829.
Aan de hand van de gevonden vloer, bestaande uit kloostermoppen (=groot soort baksteen uit de Middeleeuwen van het formaat 30x14x7 cm.) bleek, dat deze kerk binnenwerks 13.90 bij 10.60 m. Is geweest. Dat is veel korter en smaller dan de huidige kerk, die binnenwerks 24 bij 14.50 m. groot is. De oostmuur met de huidige hoofdingang heeft afgeschuinde hoeken.

 

Ooit was de hoofdingang onder de toren. Bij de verbouwing was nog te zien, dat de vloer van de kerk lager heeft gelegen dan de vloer van de toren. Achter de kerk werd nog een verhard pad van 1.50 m breed gevonden; hoogstwaarschijnlijk is dit de verbinding tussen de kerk en het kerkhof geweest.

 

Bij de opbouw van de kerk na de brand van 1829 zijn heel gebleven kloostermoppen gebruikt om de steunvoeten (“poeren”) te vormen voor de schuin oplopende balken, waarop de houten vloer was gelegd. Omdat deze stenen niet gemetseld, maar opgestapeld waren, zijn ze op de lange duur wat gaan schuiven, waardoor de vloer ging verzakken. De erlangs lopende leidingdraden van de elektrische verwarming kwamen hierdoor strakgespannen te staan.
Door de restauratie van 1994 is aan deze gevaarlijke toestand een eind gekomen. Op de balustrades evenals op de deurtjes van de banken is mooi bijpassend lijstwerk aangebracht. Het gehele interieur kreeg een zachtgroene kleur, waardoor in de kerkruimte de elementen rust en bezinning weer volledig tot hun recht kunnen komen.
Geloof in het leven